Welkom » Overdenkingen » ‘Wie is hij toch ?’ door prof. dr. Ed Noort op 23 juni 2019

‘Wie is hij toch ?’ door prof. dr. Ed Noort op 23 juni 2019

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Als je in Israël hoog boven Tiberias staat kijk je neer op het Meer van Galilea. Aan de overkant de omstreden heuvels van Golan. Ver weg vissersboten en toeristenschepen. Op een stralende dag als deze ligt het diepblauwe Meer van Galilea er vredig bij. Wazige warmte trilt over het water. Maar plotseling worden er rimpels zichtbaar op het water, de wind komt op, binnen tien minuten ontstaan er schuimkoppen.  Even later slaan de golven met woest geweld op de oever, het meer is een heksenketel geworden. Maar even plotseling als de storm opsteekt, verdwijnt hij ook weer.  De wind valt weg, de golven lopen nog een tijdje door. Maar na enige tijd ligt het meer er weer zo rimpelloos bij alsof er nooit iets gebeurd is.
Vanaf de oudste tijden tot op de dag van vandaag is het meer van Galilea berucht om deze plotseling opkomende buien. Oh, verklaringen genoeg: de valwinden vanaf het omringende gebergte, de verschillen in luchtdruk boven land en water en nog veel meer.

Veel uitleggers van onze preektekst over de storm op het meer werken ook met deze verklaringen.  Maar meestal eindigt zo’n poging met de bedoeling de tekst letterlijk te be-GRIJPEN, in handen te krijgen. Het wonder wordt weg verklaard en Jezus blijft over als tovenaar.
Nee, ik denk dat die weg onbegaanbaar is. Wat mij nieuwsgierig maakt is de vraag wat die bijbelse vertellers met zo’n verhaal hebben willen zeggen, welke hoop, welke verwachting, welke angst, welke onzekerheid zij wilden doorgeven. Wat hen gedreven heeft?

We hebben met elkaar twee psalmen gelezen.  Liederen waarin het water en de watervloed gebruikt worden om al het onheil aan te duiden dat de mens overkomt.  Je zou bijna kunnen zeggen, zoals het Nieuwe Testament de duivel gebruikt om de anti-goddelijke macht, het Kwaad, aan te duiden, zo doet het Oude Testament dat met het water.
Het is dan ook niet toevallig, dat het boek Openbaringen uitloopt op een belofte : de zee zal niet meer zijn“, voor Hollanders een uiterst merkwaardige gedachte.
God is een Heer, die redt en bevrijdt, omdat hij zelfs de donkere macht van het water aankan. Dat wagen deze psalmen te zingen!

Nog duidelijker wordt dat in een andere psalm, een lied dat we niet gelezen maar wel gezongen hebben rondom de schriftlezingen: Ps 107:
“Er waren er die op schepen naar zee gingen,
die het wijde water bevoeren,
zij zagen de daden van de HEER,
zijn wonderen op de oceaan.
Hij sprak en ontketende storm,
hoog zwiepte hij de golven op.
zij stegen tot aan de hemel,
vielen neer in de diepte,
hun maag keerde om van ellende,
zij tolden en tuimelden als dronkaards
alle kennis baatte hun niets.
Zij riepen in hun angst tot de HEER
HIJ leidde hen weg uit vele gevaren.
HIJ bracht de storm tot zwijgen
de golven gingen liggen
…HIJ bracht hen naar een veilige haven.

Israël beleed God als de Heer die zelfs de storm en het water de baas is. God, die de storm aankan, is een Heer die bevrijdt uit alle nood.
En dan komt daar een nieuwtestamentische verteller, die deze belijdenis overneemt en gebruikt om aan te duiden wie die geheimzinnige timmermanszoon, die rondtrekkende leraar Jezus van Nazareth is.
De grote woorden uit de psalmen, die alleen God zelf als de bedwinger van storm en water kennen worden direct op Hem toegepast.
Hij, Jezus, kan de storm doen verstommen, de golven het zwijgen opleggen.
Hij doet wat alleen in de macht van God staat.
In ons verhaal krijgt Jezus een macht die de hele bijbel alleen maar God zelf toekent.
Het is niet zo verwonderlijk, dat straks bij het proces tegen Jezus de aanklacht “godslastering” is.

Het ongehoorde van Jezus optreden wordt zichtbaar in een verhaal waarin de psalmen worden
hersproken. Toegepast worden op hem in uiterste vermetelheid. Niet de wonderdoener-tovenaar staat hier in het middelpunt, maar de Heer, die in het kleed van de psalmen beleden wordt als de Heer die tot God zelf behoort.

HOE dat zegt ook het evangelie niet. Het zegt iets anders: als je op zoek bent naar het geheim van Jezus, dan heb je het ook over God zelf .Hij is niet los verkrijgbaar.
De taal van de psalmen plaatst  hem in de nabijheid van God zelf. Geheimzinnig, terughoudend, vol verbijstering, maar toch….Wie is toch deze? Dat is niet alleen een vraag van vandaag, het is de enige echte vraag die vanaf het begin met Jezus optreden verbonden was, een vraag die blijft.
Wat is dat dan voor een Heer ? En de tekst geeft op die vraag een even geheimzinnig als ergerniswekkend antwoord: Dat is een Heer, die slaapt!  Dat is een Heer die slaapt op de achterplecht terwijl de storm woedt.

Daar zijn mensen bereid Jezus te volgen.  Maar tijdens de tocht met hem steekt de storm op, de afgrond dreigt, dood en vernietiging, verdriet en onrecht sperren hun muilen open, de mens die volgeling van Jezus Christus wil zijn, dreigt ten onder te gaan. En die ervaring is er een van alle tijden.
Wie in die situatie vraagt, waar God is, krijgt het antwoord: Hij is een Heer, die slaapt: AANWEZIG-AFWEZIG.
Hij is een Heer, die ons onttrokken is. Zoals de leerlingen hem daar niet anders hadden dan als slapende heer, zo heeft de gemeente van vandaag  hem niet anders dan in woord en verhaal, in brood en wijn.
Verborgen aanwezigheid, dat is de Heer, die slaapt op de achterplecht, terwijl de storm woedt.
Dat is het antwoord van het Marcus-evangelie.
Maar, daarmee is het verhaal niet ten einde.  Deze afwezig-aanwezige Heer wordt wakker: niet door het gehuil van de storm, maar door de angstschreeuw van de leerlingen.  Er zijn mensen nodig om de Heer wakker te maken!
Als dat gebeurt heeft die slapende, die afwezig-aanwezige Heer letterlijk het laatste woord. Stormgehuil en het water van de afgrond verliezen hun macht. Het leven zegeviert over de dood. Dat is de hartstochtelijke hoop van de bijbelse verteller.

In het verhaal van de storm op het meer heeft vanaf de oudste tijden de kerk zichzelf herkend.
Het scheepje van de kerk op de woelige wateren van de wereldgeschiedenis. Het is dan ook niet toevallig, dat de wereldraad van kerken een schip met een kruis als vignet heeft. Wie vijftig jaar terugkijkt ziet dat we middenin adembenemende veranderingen zitten van geloof, spiritualiteit, kerk en gemeente zijn, van crises in maatschappelijk vertrouwen en identiteit. Als gemeente zijn wij elk met onze eigen weg maar een klein onderdeel van deze processen. We hebben echt nog wel een stuk storm voor ons.
Het verhaal van vanochtend wil daarbij moed geven tot openheid. De verkondiging dat de aanwezig-afwezige slapende Heer, ook tenslotte de bedwinger van het geweld is, is daarbij de belofte.
Het is een belofte om tijdens de storm in leven te blijven.

Want heeft u zich al eens gerealiseerd hoe dat verhaal over de storm op het meer eindigt? Staat iedereen te applaudisseren na het stillen van de storm. Helemaal niet.
De leerlingen worden bang en vragen: „Wie is hij toch?’
Het verhaal eindigt met een vraag: Wie is toch deze?   Dat is een vraag van verbazing, van verwondering: Hoe is het  letterlijk in Godsnaam mogelijk?
De gemeente van alle tijden blijft een vragende, een verwachtende gemeente, die verwonderd en dankbaar haar weg zoekt door de tijd. Dan mogen veel vormen veranderen, veel woorden vervagen, nieuwe problematieken hun intrede doen, nieuwe denk- en benaderingswijzen ons aan het werk zetten
Ja, dan mag het weinig lijken dat een vraag dat is wat ons samenbindt, maar het “wie is hij toch, dat zelfs de wind en de zee hem gehoorzaam zijn” is een belijdende vraag die laat zien wat geloof in laatste instantie is: geloven is niet voor-waar-houden van  zinnen, die boven tijd en ruimte zweven, maar de verwachting, de hoop  en de verwondering niet prijsgeven, het is vertrouwen oefenen en de vrolijkheid niet verliezen.

Het is vragen, echt vragen, maar zonder getob. Geve God, dat wij als gemeente in welke vorm ook immer, blijven vragen:”Wie is Hij toch?” Als we die vraag blijven stellen, als we leren dat dat bij ons geloven en leven hoort, blijven vragen,  mogen we leven met de vreemde belofte, dat wij niet zelf het antwoord hoeven te geven.

Dan mogen we doorlezen naar dat andere merkwaardige zeeverhaal van het wandelen over het meer, ietsje verderop in de bijbel. Daar klinkt het ons tegemoet als Petrus dreigt te verdrinken: “Houd moed, IK BEN HET, weest niet bevreesd” Het is een bemoediging, maar ook een uitnodiging voor elk van ons, verwoord in het lied van de Groningse dichter, dat wij zullen zingen:

Ga in het schip, zegt Gij,
steek van het strand.
Vaar tegen wind en tij,
vaar naar de overkant,
wacht daar op Mij.
Ik ben het, zegt Gij dan.
Kom maar met mij
mee naar de overkant.
Wees maar niet bang, zegt Gij,
hier is mijn hand.

AMEN.